OnrechtmatigIn artikel 6:162 BW staat de grondslag voor de verplichting tot schadevergoeding. De wettelijke definitie luidt als volgt:

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

De onrechtmatige gedraging

Een schadeveroorzakende gedraging kan als onrechtmatig worden aangemerkt als aan een van onderstaande criteria is voldaan:

  • een inbreuk op een recht;
  • een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht;
  • een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Voorbeeld:

Een fietser rijdt tegen een voetganger aan die als gevolg van die aanrijding valt en schade heeft. de schade van de voetganger bestaat uit een kapotte jas en broek, beschadigde schoenen en schaafverwondingen op de armen. Heeft de voetganger nu recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad? De verwondingen kunnen worden gezien als een inbreuk op het recht op lichamelijk integriteit, dus er is sprake van inbreuk op een recht. Daarnaast kan er ook sprake zijn van het overtreden van de verkeersregels door de fietser, indien de fietser de voetganger voorrang had moeten verlenen. Indien dat het geval is dan is er dus ook sprake van een nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Tenslotte kan worden gesteld dat de fietser heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zo ziet u dat in dit geval aan alle criteria is voldaan, terwijl één criterium voldoende is.

De wetgever heeft het criterium “het handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt” met opzet ruim geformuleerd, zodat onbehoorlijk gedrag dat niet valt onder handelen of nalaten in strijd met het recht of een wettelijke plicht, toch als een onrechtmatige daad kan worden gekwalificeerd. Wel moet de gedraging aan de dader kunnen worden toegerekend,  maar daarover kunt u hieronder meer lezen.

Toerekening van de onrechtmatige gedraging

De belangrijkste reden om een onrechtmatige gedraging aan de dader toe te rekenen is schuld. Met betrekking tot schuld moet u denken aan verwijtbaarheid. In beginsel moet het de veroorzaker dus te verwijten zijn dat de onrechtmatige gedraging is ontstaan. Daarnaast kan een onrechtmatige gedraging aan de veroorzaker worden toegerekend krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen. Het alleen vaststellen van een onrechtmatige gedraging is dus onvoldoende, want de gedraging moet ook aan de dader kunnen worden toegerekend.

Rechtvaardigingsgronden

Er is geen sprake van een onrechtmatige daad indien de dader met succes een beroep kan doen op een rechtvaardigingsgrond. Gedrag dat normaal onrechtmatig is wordt door de rechtvaardigingsgrond rechtmatig. Ik zal een en ander proberen duidelijk te maken met behulp van een aantal voorbeelden.

Voorbeelden

Ambtelijk bevel

Stel dat u op aanwijzingen van een verkeersagent het rode verkeerslicht negeert. In beginsel is het negeren van het rode verkeersplicht handelen in strijd met de wet, maar als u noodgedwongen door moet rijden omdat de verkeersagent dat aangaf, dan wordt uw handelen gerechtvaardigd. Een bevoegd gegeven ambtelijk bevel is een rechtvaardigingsgrond in het Wetboek van Strafrecht, maar dit levert civielrechtelijk gezien dus ook een rechtvaardigingsgrond op.

Noodweer

Stel dat u in uw huis wordt overvallen door een inbreker. U hoeft de inbreker dan niet zijn gang te laten gaan, want u mag uw eigen lijf, eerbaarheid of goed verdedigen. Dit wordt noodweer genoemd. Wel moet voor een succesvol beroep op noodweer worden voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Met subsidiariteit wordt de keuze van het middel waarmee u uzelf verdedigde bedoeld en de wijze waarop het middel is gebruikt. Proportionaliteit ziet op de juiste verhouding tussen de wijze van verdedigen en het aangerande rechtsgoed. Indien u een geslaagd beroep op noodweer kunt doen, dan is er geen sprake van een onrechtmatige daad maar van een rechtmatige daad. De (in beginsel) onrechtmatigheid van uw gedrag wordt opgeheven door de rechtvaardigingsgrond noodweer.

Aansprakelijkheid voor kinderen

Kinderen tot 14 jaar

Kinderen die de leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt, zijn zelf niet aansprakelijk voor de door hen gepleegde onrechtmatige daad. De aansprakelijkheid rust dan op degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent.

Kinderen van 14 en 15 jaar

De regeling voor schade veroorzaakt door kinderen van 14 of 15 jaar is iets anders dan die van kinderen jonger dan 14 jaar. Degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent is aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet.

Aansprakelijkheid voor ondergeschikte

Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

Deze bepaling legt op werkgevers een risico-aansprakelijkheid voor schade door hun werknemers veroorzaakt aan derden. Het is niet relevant of de werkgever iets valt te verwijten. Wel is van belang of de werknemer een fout heeft gemaakt. De werknemer moet zelf een onrechtmatige daad hebben gepleegd die hem kan worden toegerekend om de werkgever aansprakelijk te kunnen stellen.

Aansprakelijkheid voor niet-onderschikte

De wet regelt ook de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten. Net als de aansprakelijkheid voor ondergeschikten is ook dit een risico-aansprakelijkheid. Er moet sprake zijn van een opdracht tot het verrichten van werkzaamheden voor een bedrijf. het woord bedrijf moet ruim worden geïnterpreteerd. Dat houdt in dat hier ook ondernemingen zonder winstoogmerk onder vallen, zoals bijvoorbeeld ziekenhuizen en zorginstellingen.

Aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken

De bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend.

Gebrek

De roerende zaak dient zelf gebrekkig te zijn, dus niet de onhandige plaatsing van een zaak maakt deze gebrekkig. Het gaat om de verwachtingen die men redelijkerwijs van een zaak mag hebben.

Bekendheid

De bekendheid met het bijzondere gevaar dient te bestaan in de kring van personen waartoe de bezitter behoort. Dat houdt in dat niet relevant is dat de bezitter zelf het bijzondere gevaar niet kent of dat er ergens in de wereld een dergelijke bekendheid bestaat.

Bijzonder gevaar voor personen of zaken

Iedere roerende zaak kan natuurlijk gevaarlijk zijn, maar dat hangt af van hoe ermee om wordt gegaan. Zo kunnen o.a. een cirkelzaag, hamer, ladder, bijl of koevoet gevaarlijk zijn als er op de verkeerde manier mee om wordt gegaan, maar dat levert nog geen bijzonder gevaar op. Een voorbeeld van een bijzonder gevaar is dat, ingeval van de hamer, de kop eraf vliegt tijdens het timmeren. Dat hoeft u namelijk niet te verachten bij een hamer. Het product is dan niet deugdelijk.

De tenzij clausule

Iemand kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door een gebrekkige zaak, indien hij met succes een beroep kan doen op de tenzij clausule. Aansprakelijkheid ontbreekt namelijk indien de aansprakelijke niet aansprakelijk gesteld kan worden op basis van onrechtmatige daad en het gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend. Ik zal dit duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld:

Een inbreker, bewapend met een ijzeren staaf, loopt uw woonkamer binnen. Het enige wat u binnen handbereik heeft is een hamer. De inbreker wil u aanvallen en u verdedigt u maakt een slaande beweging met de hamer, maar de kop van de hamer schiet eraf. Normaal gesproken zou u aansprakelijk zijn geweest voor het veroorzaken van schade met een gebrekkige roerende zaak (de hamer), maar in dit geval kunt u met succes een beroep doen op noodweer of noodweerexces en is uw handelen dus gerechtvaardigd. U bent dus niet aansprakelijk op basis van onrechtmatige daad en daardoor ook niet op basis van het bezit van de gebrekkige roerende zaak.