Wanprestatie

Nakoming en niet-nakoming (wanprestatie) van verbintenissen

Burgerlijk wetboekIn de praktijk komt het regelmatig voor dat de schuldenaar niet na komt nadat hij door de schuldeiser wordt aangesproken. Dit niet-nakomen kan opzettelijk gebeuren doordat bijvoorbeeld de schuldenaar het niet eens is met de eis van de crediteur, of omdat er sprake is van andere omstandigheden. De bedoeling van nakoming is dat de schuldenaar van zijn schuld wordt bevrijd en dat de eraan ten grondslag liggende verbintenis teniet gaat. Het verrichten van de prestatie wordt nakomen, betalen of presteren genoemd. Ook spreekt men wel over het voldoen aan een verbintenis. Het tegenovergestelde van nakomen is niet nakomen, ook wel wanprestatie genoemd.

Wanprestatie betekenis

Wanneer een verbintenis niet, te laat of niet behoorlijk wordt nagekomen en dit de schuldenaar kan worden toegerekend, spreken we van wanprestatie. In Nederland is dit geregeld in artikel 74 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Als de schuldenaar het niet-nakomen (juridisch wanprestatie genoemd) kan worden toegerekend, is hij verplicht de schade die zijn schuldeiser hierdoor lijdt, te vergoeden (art. 6:74 lid 1 BW).

Nu advies vragen

Er spelen twee factoren een rol wanneer er sprake is van wanprestatie, te weten:

1. schuld (verwijtbaarheid) of risico; wanneer het niet-nakomen aan de schuldenaar wordt toegerekend als het te wijten is aan zijn schuld of aan omstandigheden die voor zijn rekening komen (risico).

  • Artikel 6:75 BW geeft aan wanneer een tekortschieten van de schuldenaar niet toerekenbaar is.
  • Wanneer is sprake van een verwijtbare gedraging (of nalaten), spreekt men van schuld.
  • Bij risico is er sprake van omstandigheden die de schuldenaar krachtens de wet (art. 6:76 BW en art. 6:77 BW), rechtshandeling (overeenkomst) of verkeersopvattingen (ongeschreven recht: wat men vindt) kunnen worden toegerekend. Hierbij is dus geen sprake van verwijtbaar gedrag.

2. inspannings- of resultaatverbintenis; met de vraag of er sprake is van een inspannings- of een resultaatverbintenis, is deze tweede factor bepalend voor de toerekenbaarheid van het niet-nakomen. Een resultaatverbintenis is een verbintenis waaraan de schuldenaar kan voldoen door het bereiken van een bepaald resultaat. Bijvoorbeeld bouwen van een woning, monteren van een keuken of het betalen van een lidmaatschap. Wanneer de woning niet op tijd wordt opgeleverd, of de keuken niet volledig is gemonteerd en er geen betaling is verricht voor het lidmaatschap, dit als een toerekenbaar niet-nakomen kan worden opgevat. Het toerekenbaar niet- nakomen is moeilijker aan te tonen bij een inspanningsverbintenis. Dit is een verbintenis waaraan de schuldenaar kan voldoen door, rekening houdend met hetgeen onder de gegeven omstandigheden van hem verwacht mag worden, behoorlijk zijn best te doen. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld een behandeling van een arts. Wanneer de arts er niet in slaagt een patiënt te genezen, kan er niet gesproken worden dat de arts tekort geschoten zou zijn in nakoming van de verbintenis. In dit geval zal gekeken worden of de arts in vergelijking met hetgeen onder de gegeven omstandigheden van hem kan worden verwacht, niet behoorlijk zijn best heeft gedaan en ernstig tekort is geschoten. Normaliter kan men zelden bewijzen of er van zo’n ernstige tekortkoming sprake is.

Gevolgen van wanprestatie

Wanprestatie van de schuldenaar heeft een aantal gevolgen;

Verplichting tot betalen van schadevergoeding (art. 6:74 BW)

Het gevolg van het toerekenbaar niet-nakomen van een verbintenis door de schuldenaar is het feit dat er ten aanzien van de schuldeiser een schadevergoedingsverplichting kan bestaan uit:

  • Vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW)
  • Aanvullende schadevergoeding (art. 6:85 BW)
  • Boetebeding (art. 6:91 tot en met 94 BW).

Voordat vervangende schadevergoeding gevorderd kan worden, moet de wederpartij eerst in verzuim zijn, als nakoming direct of over enige tijd nog mogelijk zou zijn. Voor het intreden van het verzuim is in het algemeen een ingebrekestelling vereist. Dit is een schriftelijke verklaring die een aanmaning c.q. sommatie of aanzegging bevat om binnen een redelijke termijn te presteren. Als de schuldenaar niet voldoet aan de aanmaning, dan treedt het verzuim in op het in de sommatiebrief aangegeven tijdstip. Een ingebrekestelling is dus een voorwaarde voor het ontstaan voor het verzuim van de schuldenaar. Een ingebrekestelling is in feite niets anders dan een aanzegging aan de schuldenaar dat er nakoming wordt verlangd. Het verzuim eindigt als de schuldenaar alsnog nakomt, als de schuldeiser een behoorlijk aanbod tot nakoming weigert en daardoor zelf in schuldeisersverzuim raakt, of als nakoming alsnog blijvend onmogelijk wordt (art. 6:81 tot en met 6:83 BW). Indien een schuldenaar (nog) niet in verzuim is geraakt, behoeft hij ook (nog) geen schade te vergoeden.

Aansprakelijkstelling

Op grond van artikel 6:82 lid 2 BW kan de schuldeiser een ingebrekestelling sturen, alleen met het doel de schuldenaar aansprakelijk te stellen voor de schade en niet met het doel hem een redelijke termijn te geven om alsnog na te komen. De aansprakelijkstelling gebeurt in het geval als de schuldenaar tijdelijk (voor onbepaalde tijd) niet kan nakomen en/of als uit de houding van de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn. Aangezien een termijnstelling hier zinloos is, is een aansprakelijkstelling voldoende.

Schuldeisersverzuim

De schuldeiser kan op twee manieren in verzuim raken. Ten eerste op grond van artikel 6:58 BW geeft aan dat de schuldeiser in verzuim komt wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Ten tweede zodra de wederpartij van de schuldeiser gebruik maakt van een opschortingsbevoegdheid (art. 6:59 BW).

De gevolgen van schuldeisersverzuim zijn:
  • Artikel 6:62 BW; gedurende het verzuim van de schuldeiser is deze niet bevoegd maatregelen tot executie te nemen. Dus geen recht op nakoming
  • Artikel 6:54 sub a BW; geen bevoegdheid tot opschorting voor zover nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim.
  • Geen recht op schadevergoeding. Het tekortschieten van de debiteur is niet toerekenbaar (art.6:74 BW).
  • De wederkerige overeenkomst kan niet worden ontbonden (art. 6:266 BW).
  • Zolang de schuldeisersverzuim duurt, vindt er een verlichting plaats van de aansprakelijkheid van de schuldenaar voor het geval behoorlijk nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk is geworden (art. 6:64 BW).

Causaal verband

De wet eist naast toerekenbaarheid, verzuim en schade ook dat er causaal verband bestaat tussen de schade en de wanprestatie. Met andere woorden, alleen de schade dient vergoed te worden die een gevolg is van het niet-nakomen van de schuldenaar.

Verplichting alsnog na te komen, indien dit mogelijk is (art. 3:296 BW); vordering tot nakoming

De schuldeiser kan de schuldenaar door de rechter laten veroordelen om alsnog na te komen. De schuldeiser kan dus altijd nakoming eisen.

Ontbinding van de (wederkerige) overeenkomst (art. 6:265 BW

De wet stelt in art. 6:265 BW drie voorwaarden aan de bevoegdheid om een overeenkomst te ontbinden:  er moet sprake zijn van een tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van een van haar verbintenissen (lid 1), die tekortkoming moet deze ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigen (lid 1) en voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, moet de schuldenaar in verzuim verkeren (lid 2).

Met andere woorden, er moet aan de volgende eisen voldaan worden om de overeenkomst te ontbinden;

  • Dat het moet gaan om een wederkerige (verbintenisscheppende) overeenkomst.
  • Dat er moet sprake van een tekortkoming van de schuldenaar.
  • Dat er sprake moet zijn van verzuim van de schuldenaar; dit geldt niet wanneer de prestatie tijdelijk of blijvend onmogelijk is. Dan kan de schuldeiser meteen ontbinden en is er geen ingebrekestelling nodig (art. 6:265 lid 1 BW).
  • Er is een schriftelijke ontbindingsverklaring of een rechtelijke uitspraak nodig. Op grond van art. 3:37 lid 3 BW is de overeenkomst ontbonden op het moment dat de ontbindingsverklaring de schuldenaar heeft bereikt. Bij een rechtelijke uitspraak is de overeenkomst ontbonden op het moment waarop de rechter vonnis heeft gewezen. (Wanneer de overeenkomst langs elektronische weg tot stand is gekomen, dan kan deze ook door een langs elektronische weg uitgebrachte verklaring worden ontbonden (art. 6227a jo 6:267 BW).

Overmacht

Artikel 6:75 BW geeft aan dat wanneer een tekortkoming niet aan de schuldenaar valt toe te rekenen. De tekortkoming moet dan niet te wijten zijn aan zijn schuld, krachtens de wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen. Als de tekortkoming niet is toe te rekenen, spreken wij van overmacht. In geval van overmacht hoeft de schuldenaar geen schadevergoeding te betalen. Een uitzondering hierop vormt artikel 6:78 BW. In dit artikel staat omschreven wanneer een schuldenaar wel schadevergoeding moet betalen ondanks de overmacht. Er wordt gekeken naar de omstandigheden van het geval of er sprake is van overmacht. Het is daarom ook niet mogelijk om een algemene regel te geven van wanneer een beroep op overmacht wel zal slagen en wanneer niet. Indien nakoming van de overeenkomst nog mogelijk is zal een beroep op overmacht meestal niet slagen.

Conclusie

We spreken van tekortschieten in de nakoming van de verbintenis (wanprestatie) wanneer er sprake is van het te laat, ondeugdelijk of helemaal niet nakomen van de afspraak (verbintenis). Deze tekortkoming kan de schuldenaar op grond van schuld en risico worden toegerekend. Indien nakoming nog mogelijk is dient de schuldeiser de schuldenaar in gebreke te stellen, behoudens enkele uitzonderingen, waarna de schuldenaar in verzuim is. De schuldeiser kan daarna nakoming vorderen in combinatie met aanvullende schadevergoeding, de overeenkomst ontbinden met eventueel aanvullende schadevergoeding of vervangende schadevergoeding vorderen. Indien nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is kan de schuldeiser de overeenkomst meteen ontbinden en eventueel aanvullende schadevergoeding vorderen. De schuldeiser kan er ook voor kiezen om vervangende schadevergoeding vorderen. Tot slot is de tekortkoming niet toerekenbaar wanneer er sprake is van overmacht van de schuldenaar en kan er door de schuldeiser geen schadevergoeding gevorderd worden.